(1539 Portugal - 08/12/1596 Mexico)
Op 31 maart 1492 kregen de
Spaanse Joden een ultimatum van hun Koning en Koningin, Isabel en Fernando: ze
kregen precies 4 maanden de tijd om het koninkrijk te verlaten met hun familie,
of te blijven en zich te bekeren tot het katholieke geloof. Honderdduizenden
Spaanse Joden verlieten het land; velen zochten hun toevlucht in Portugal, waar
ze op dat moment goed ontvangen werden, maar een paar jaar later ook weer
verplicht werden tot óf bekering óf het verlaten van het land. Velen vertrokken
toen naar Marokko, Italië, en Vlaanderen.
Slechts zo’n 50.000 Joden
besloten te blijven, en zich te bekeren. Ze namen vaak een andere (Katholieke)
naam aan, rabbijnen werden opgenomen in Katholieke kerk vanwege hun grote
theologische kennis, en de rijke “nieuwe christenen” gaven grif aan het Spaanse
Koningshuis voor het betalen van het leger die de Moorse Sultans uit Spanje zou
verjagen, en de expeditie van Columbus die tot de ontdekking van Amerika zou
leiden.
Een nazaat van deze
bekeerde Joden
was Luis Carvajal y de
Luis Carvajal was gouverneur en er werd een
nederzetting in de stad Monterrey gevestigd. Wat jaren later kwam het
de Spaanse inquisitie ter ore dat de Joodse godsdienst openlijk in
Nuevo Leon bedreven werd, en dat er weinig moeite
gedaan werd om de indiaanse heidenen te bekeren. De gouverneur, zijn hele
familie en andere leden van de nederzetting werden opgeroepen om voor het tribunaal van de Inquisitie in de stad Mexico
te verschijnen. Daar werden ze gearresteerd en gevangen gezet. Gouverneur Carvajal overleed in de gevangenis, andere
leden van zijn familie werden “hersteld”. Toen ze toch weer terugvielen in de
“zonde” van het Joodse geloof werden ze opnieuw gearresteerd, en op de
brandstapel verbrand. Zonen van een broer van Luis Carvajal wisten te ontsnappen en te vluchten.
Zij veranderden hun achternaam naar Lumbroso, en werden rabbijnen in Italië.
This Web Page Created with PageBreeze Free HTML Editor